De Germaanse wereld

De Noordelijke grensgebieden van het Romeinse rijk werden in de vierde en vijfde eeuw n.C. steeds kwetsbaarder voor aanvallen van buitenaf, met name door Germaanse stammen. Het jaar 406, waarin de Romeinen de Rijngrens moesten opgeven, geldt traditioneel als het jaar waarin definitief een einde kwam aan de Romeinse heerschappij in de Nederlanden. De terugtrekking van de Romeinen had tot gevolg dat in de gebieden langs de Rijngrens ook de Romeinse cultuur voor een groot deel verdween en vervangen werd door de Germaanse cultuur. De samenleving veranderde.

De Germaanse samenleving

De Germaanse samenleving had het karakter van een primitieve landbouwmaatschappij. Het land was verdeeld in gouwen met aan het hoofd een voorzitter van het gerecht en een vertegenwoordiger van de koning. Vanaf de zesde eeuw waren beide functies meestal verenigd in een persoon. In de derde eeuw had een aantal kleine Germaanse stammen zich aaneen gesloten tot grotere groepen. Geleidelijk gingen zich twee groeperingen duidelijk aftekenen: de Saksen en de Franken. Daarnaast wisten de Friezen zich in het noorden te handhaven.

Germaanse Koning en standen

De Germaanse koninkrijken, met het daarbij behorende koningschap, kunnen niet vergeleken worden met instituten van dezelfde naam in onze eigen tijd. Het Germaanse koninkrijk was niet bestendig, noch in tijd, noch in plaats. De koningen werden gekozen door een volksvergadering, een bijeenkomst van de vrije weerbare mannen. Soms was het koningschap voorbehouden aan leden van een bepaalde familie, maar bestond desalniettemin bij de gratie van het volk. De koning zorgde voornamelijk voor de contacten met de buitenwereld en dat betrof dan zowel de wereld van de goden als die van de mensen. In tijden van oorlog was hij meestal legeraanvoerder, hoewel voor die functie soms ook wel een ander persoon werd uitgekozen. Over interne aangelegenheden, zoals bijvoorbeeld de lokale rechtspraak, had hij niets te zeggen. Die werden door elke gemeenschap zelf geregeld. Sociaal gezien waren de Germaanse volken verdeeld in vier standen: de adel (bij de Franken niet erfelijk), de vrijen, de laten of ‘liten’ (vrijgelaten lijfeigenen) en de lijfeigenen. Alleen de mannen uit de twee hoogste standen hadden het recht om deel te nemen aan de, overigens slechts zelden bijeengeroepen, volksvergaderingen.

De Saksen, de Friezen en de Franken

De Germaanse Saksen bevolkten voornamelijk het oostelijk deel van Nederland. Het centrum van hun rechtsgebied lag echter buiten onze huidige landgrenzen, in het tegenwoordige Duitsland.

De Friezen, van oorsprong kolonisten die van de arme Drentse zandgronden waren weggetrokken, hadden zich eeuwenlang in hun terpengebieden kunnen handhaven. Al in de Romeinse tijd dreven zij op ruime schaal handel. Zij ruilden eigen producten als vee, huiden en wol tegen luxe goederen en soms ook wel tegen geld. De terpenbewoners uit de vierde en vijfde eeuw kenden dan ook een betrekkelijk hoge materiële beschaving in vergelijking met de bewoners van de rest van het land. Zij wisten het door hen bevolkte gebied uit de breiden in zuidelijke richting tot aan de grote rivieren en in de kuststreek zelfs tot aan Vlaanderen. In deze tijd verhandelden zij ook over heel Noordwest Europa het later zo beroemd geworden Friese laken. Het is overigens niet zeker of dit product zo genoemd werd omdat de Friezen het zelf maakten, of omdat ze het in Vlaanderen opkochten.

De Franken, gevestigd ten zuiden van de grote rivieren, maakten zich in de eeuwen na het vertrek ban de Romeinen meester van een groot grondgebied. De Frankische koning Clovis I, uit het huis van de Merovingers, die regeerde van 481-511, verwierf door talrijke oorlogen de heerschappij over heel Gallië, het gebied dat het huidige Frankrijk en Noord Italië omvat. Na zijn dood werd het rijk verdeeld onder zijn vier zonen, die echter geacht werden nauw samen te werken. Theodorik I was koning over het deel waartoe Zuid-Nederland behoorde. Dit werd Austrasie genoemd. Hoewel het onderdeel bleef van het Frankische rijk, kreeg de adel in dit gebied een steeds onafhankelijker positie. Dit gold met name voor het hoofd van de hofhouding, de hofmeier. Vanaf de zevende eeuw oefenden deze machtige ambtenaren, uit de familie van de Karolingers of Pippiniden, de feitelijke heerschappij uit voor de vrijwel machteloze Merovingers.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*